Ook jij maakt deze fout bij ’t drogen van je haar

Ook jij maakt deze fout bij ’t drogen van je haar

Oeps! Grote kans dat jij deze fout ook maakt bij het drogen van je haar…

Douchen is een dagelijkse bezigheid. Je doet het misschien al twintig, dertig of veertig jaar elke dag. Wij zijn er om je te vertellen dat je het drogen van je haar hoogstwaarschijnlijk verkeerd aanpakt. Yes, let that sink in.

Het drogen van je haar klinkt super simpel. Je pakt een handdoek, wikkelt het om je haar en je föhnt het om in model te brengen of laat het aan de lucht drogen. Natuurlijk zijn er wel een aantal handigheden die je kunt gebruiken. Of je voor een koude föhn of warme föhn gaat bijvoorbeeld. Of hoe je handig je haar kunt drogen aan de lucht. Maar wat doe je nu precies verkeerd?

Skip de handdoek

Je haar drogen met een handdoek: dat is dé grootste fout die je waarschijnlijk elke dag maakt. Zonder dat je het door hebt. In het ergste geval wrijf je ook nog ’s grondig heen en weer. Met klitten, afgebroken haren en een hoop pluis tot gevolg. En je snapt, dat wil je liever voorkomen.

Maar wat is er dan zo erg aan het drogen van je haar met een handdoek? Daar is -ie toch voor gemaakt? Nou… het zit zo. De katoenen handdoeken in je kastje zijn gemaakt van grove vezels die je haar kunnen beschadigen als het nat is. Je weet misschien al dat haar kwetsbaarder is als het nat is. Dat komt omdat de buitenste laag van je haar dan ‘open’ gaat staan. Hierdoor breekt het sneller af. Dit is dan ook meteen de reden dat je je haar beter kan borstelen als het droog is – tenzij je krullen hebt.

Wat je wél moet doen bij het drogen van je haar

Op naar de oplossing, want je wil niet voor altijd met nat haar rondlopen. De oplossing is investeren in een haarhanddoek. Hierdoor breekt je haar minder snel af, droogt ’t sneller en het werkt ook fijn om haarproducten in te laten trekken. Heb je geen haarhanddoek tot je beschikking? Dan werkt een oud T-shirt ook hartstikke goed.

Wedden dat je deze fout bij het drogen van je haar niet meer gaat maken?

Tekst: Renée Prenger